Wat mij vooruit hielp, deel ik nu met anderen (hoofdstuk 2)

Als mensen mij vragen waar mijn kijk op meedoen vandaan komt, vertel ik altijd dat het niet begon in een werkomgeving, maar thuis. In het gezin waarin ik opgroeide. Samen met mijn moeder en mijn twee broers, leerde ik al vroeg dat je niet bepaalt met welke kansen je begint, maar wél hoe je ermee omgaat.

We hadden weinig geld, maar we hadden liefde, humor en een moeder die ons leerde nooit op te geven. Mijn vader was nauwelijks aanwezig. Dat was moeilijk, maar het gaf me een inzicht dat mijn hele loopbaan heeft gevormd: je kunt je leven zelf bouwen, zelfs als niet alle bouwstenen voor je klaarliggen.

Ik heb zelf beperkingen ervaren: dyslexie, motorische problemen en de angst om in groepen te moeten schrijven. De beruchte flipover-angst. En ja, die 150 rijlessen. Maar niets daarvan heeft mij gestopt; het heeft mij gevormd. Waar schrijven moeilijk was, ontdekte ik dat ik kon spreken. Waar mijn motoriek mij in de weg zat, vond ik sporten die wél werkten. Waar ik struikelde, leerde ik opstaan. En dat rijbewijs? Dat haalde ik omdat ik niet wilde opgeven, niet omdat ik zo’n held was.

Mijn studiepad liep niet in een rechte lijn. Ik begon op de mavo, ging naar de havo, vervolgens naar het mbo, en uiteindelijk haalde ik mijn hbo-diploma in de avonduren, naast een fulltime baan in de zorg. Ik was vaak moe, maar vastberaden. En telkens waren er mensen die iets in mij zagen wat ik zelf nog niet kon zien. Díe ervaring dat iemand anders soms even jouw geloof moet vasthouden, is de basis geworden van hoe ik nu werk.

In de ouderenzorg, gehandicaptenzorg, jeugdzorg en later het welzijnswerk zag ik steeds hetzelfde patroon: mensen lopen niet vast omdat ze niet willen, maar omdat systemen niet passen bij hun leven, hun tempo of hun mogelijkheden. Toen ik bij de Rijksuniversiteit Groningen begon, vielen alle puzzelstukjes op hun plek. Ik zag jongeren die vier jaar thuis hadden gezeten door angst. Mensen met schulden, trauma’s, afwijzingen. Mensen die waren gaan geloven dat ze niets konden. Maar ik zag óók humor, talent, veerkracht en krachten die ze zelf niet meer herkenden.

Facility Support werd een plek waar meedoen opnieuw betekenis kreeg. Een omgeving waar mensen konden leren, vallen, opstaan, groeien en trots worden. Een werkplek waar iemand niet hoeft te bewijzen dat hij het waard is, maar mag ontdekken dat hij het altijd al was. Thuis vond ik mijn anker: mijn vrouw en onze twee geweldige kinderen waar ik ontzettend trots op ben. Zij geven mij de rust om dit werk te doen zoals het moet, met aandacht, menselijkheid en geduld. Zij weten waarom ik soms wakker lig van een medewerker en waarom ik de volgende ochtend weer vroeg opsta om het beter te maken.

Ik heb mensen begeleid die uit de gesloten jeugdzorg kwamen, uit een verslaving, uit psychische dalen, uit schulden, en uit diepe eenzaamheid. Ik heb ze zien veranderen, diploma’s zien halen, woningen zien krijgen, relaties zien opbouwen, medicatie zien afbouwen, en zelfvertrouwen hervinden. Daarom blijf ik het zeggen: het kan wél. Niet omdat het makkelijk is, maar omdat mensen groeien wanneer je ze écht ziet. En precies daarom schrijf ik dit boek.

Auteur: Arthur Hilberdink
Uitgeverij: Durden
Eerste druk: zomer 2026

.

Wanneer je kijkt naar wat iemand nodig heeft om tot bloei te komen (rust, structuur, duidelijke verwachtingen, en een taak die past bij het tempo en de talenten van die persoon) dan zie je dat functies veel flexibeler zijn dan we jarenlang dachten. Werk is geen vaststaand pakket, maar een geheel van taken dat je kunt herschikken, opdelen, verdiepen of juist vereenvoudigen. Zodra we durven te denken in mogelijkheden in plaats van beperkingen, ontstaan er functies die mensen sterker maken in plaats van kleiner