Vlak voor mijn pensionering raakte ik op een receptie met iemand aan de praat. Hij vroeg mij hoe WerkSaam Westfriesland, de organisatie die voor zeven gemeenten mensen ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’ op weg helpt naar werk, er onder mijn leiding in was geslaagd om verkozen te worden tot Beste Overheidsorganisatie 2022. Jaren geleden had ik hem al eens ontmoet als collega-directeur van een regionale gemeenschappelijke regeling, maar van echt contact was nooit sprake geweest.
Hij vroeg wat er zoal gebeurde bij WerkSaam en waar ik allemaal mee bezig was. Het was een leuk, geanimeerd gesprek en hij herkende veel situaties vanuit zijn eigen werkervaring bij overheidsorganisaties. Die hebben nu eenmaal een andere dynamiek dan commerciële organisaties. Je bent afhankelijk van politieke besluitvorming, wet- en regelgeving, budgetten, effecten van de economie en zelfs mondiale ontwikkelingen op burgers. Bovendien, niet onbelangrijk: een overheidsorganisatie heeft geen winstoogmerk en zo zijn er nog wel wat verschillen te noemen.
Ik zei dat WerkSaam wordt gezien als een ondernemende overheidsorganisatie en dat ik daar best trots op was. Op zijn verzoek noemde ik wat voorbeelden. Zoals altijd als ik enthousiast over mijn werk vertel, werkt dat kennelijk aanstekelijk. Niet alleen voor anderen, ook voor mijzelf. Al pratende, reflecterend op situaties die zich hebben voorgedaan, krijg ik vaak nieuwe ideeën en inspiratie. Ineens zei die man: “Waarom schrijf je er geen boek over, zodat je veel meer mensen inspireert?” Ik schoot in de lach: “Absoluut niet”, zei ik. “Weet je hoeveel managementboeken er al in omloop zijn? Wie zit er in ’s hemelsnaam te wachten op het zoveelste managementboek? Nee, dat lijkt me geen goed plan. Bovendien ben ik zeker niet van plan om een boek te schrijven over mijn successen om mijzelf een beetje op de borst te slaan. Dat past totaal niet bij mij, dat is niet wie ik ben.
Mijn gesprekspartner bleek standvastig: “Denk er toch maar eens over na”, zei hij, “naar mijn mening zijn er heel weinig managementboeken voor overheidsmanagers geschreven, en nog minder voor vrouwelijke. Ik denk dat je hen echt vooruit kunt helpen met zo’n boek. Jij bent een atypische overheidsmanager die het lef heeft om als een ondernemer te denken en te handelen. En je hebt laten zien dat je daarmee resultaten bereikt. Denk er nog maar eens over na. Ik meen het serieus.”
Thuis vertelde ik dat iemand vond dat ik een managementboek zou moeten schrijven en dat ik dat heel grappig vond. En daarmee was voor mij de kous af. Een week of drie later was het zover: mijn afscheid bij WerkSaam Westfriesland. Na bijna tien jaar als algemeen directeur. En wat een afscheid! Ik ben nog steeds onder de indruk van al die mooie woorden, cadeaus en lieve wensen. Er waren zoveel mensen gekomen om mij persoonlijk de hand te drukken, toe te spreken en te zingen. Ik werd op een geweldige wijze in het zonnetje gezet!
Na al die mooie woorden was het tijd voor mijn afscheidsspeech. Ik had gezocht naar een goede manier om open te zijn over hoe ik mij al die jaren als manager en later als directeur gevoeld heb. Onzeker en vol twijfel. Natuurlijk wist ik dat altijd wel te verbloemen en liep ik daar niet mee te koop. De enige die mijn altijd aanwezige en eeuwige twijfel heel goed kende, was mijn man. Bij hem kon ik mijn hart uitstorten en verzuchtte ik menigmaal: “Vandaag of morgen val ik door de mand, dan krijgen ze in de gaten dat ik maar wat doe. Dat ik pure mazzel heb als het toevallig goed gaat.”
En altijd weer wist hij mij op te peppen en te coachen. Liet hij mij geloven dat ik wél goed bezig was, en dat iedereen weleens twijfelt. Dat ik heus niet door de mand zou vallen. Pas in het laatste jaar voor mijn pensioen zei ik thuis regelmatig: “Nou, wie weet haal ik toch mijn pensioen zonder door de mand te vallen. Dat zou wel heel fijn zijn.” Precies dat vertelde ik tijdens mijn afscheidsspeech.
Ik was voor het eerst open en eerlijk naar alle collega’s, zakenrelaties, medewerkers, bestuurders en stakeholders. Ik durfde het open en eerlijk te zeggen: “Ik wist lang niet altijd of ik iets goed deed, maar ik heb altijd mijn best gedaan. Ook al wist ik lang niet altijd wat het beste besluit was, hoe iets zou uitpakken. Maar ondanks die onzekerheid en twijfel ging ik wel steeds door, hopende dat het goed zou komen. Hopende dat ik niet door de mand zou vallen. En zo je pensioendatum bereiken, zonder dat je door de mand gevallen bent, dat is wel heel fijn!” Daarmee sloot ik mijn speech af.
Nog diezelfde middag, maar ook nog weken daarna, kreeg ik allerlei reacties. “Wat goed dat je dit onderwerp bespreekbaar hebt gemaakt.” “Ik ben zo blij dat je dit verteld hebt, ik heb daar ook heel veel last van.” “Zeker weten dat er heel veel leiders last hebben van twijfels. Het is alleen niet stoer om dat bespreekbaar te maken. Goed dat je dit taboe doorbreekt!”
Ik was zo verbaasd over al die reacties. Reacties van herkenning, begrip en vooral een bevestiging dat openheid over dit onderwerp echt noodzakelijk is. En toen ontstond bij mij langzaam maar zeker het idee om daar een boek over te schrijven. Niet zoals die man van die receptie voorstelde (een boek over mijn successen), maar een boek over mijn twijfels.
Over hoe je ondanks die onzekerheden toch steeds stappen zet en er zelfs in slaagt om tot Beste Overheidsorganisatie verkozen te worden – dát zou wel bij mij passen. Ik voelde dat er een zaadje geplant was. Het idee bleef maar rondgaan in mijn hoofd. Want hoe je het ook wendt of keert, ik heb zelf nog nooit een managementboek gelezen over twijfel en onzekerheid. Zou het echt de moeite waard zijn om daar een boek over te schrijven?
Terwijl ik daar over nadacht en mijn idee steeds meer vorm kreeg, zat ondertussen dat lastige stemmetje in mijn hoofd alweer allerlei vervelende opmerkingen te maken: ‘Alsof het zo bijzonder is wat jij doet!’, ‘Ja, en dan schrijf jij een boek. En wie denk je dat dat gaat kopen?’, ‘Hou hier nou maar mee op, jij bent geen schrijver. Dit kun je niet. Je maakt jezelf belachelijk.’ ‘Doe je nou maar niet voor alsof je een schrijver bent, want dat ben je niet.
Daar was diezelfde beklemming die ik altijd voelde bij belangrijke beslissingen. Altijd weer die angst dat ik het verkeerd zou doen. Die zorg dat ik iets over het hoofd zou zien. De onrust over het niet weten hoe iets zou uitpakken. Er was echter ook de wil om niet toe te geven aan die angst, zorg en onrust. De wil om door te zetten en er iets moois van te maken. Het lef om het toch te proberen, wetende dat het niet altijd de gemakkelijkste weg was. Die wil won het nu weer.
En dus ging ik er ook met anderen over praten. Met mijn kinderen, mijn man, met vriendinnen, met collega’s. De een na de ander reageerde positief. “Wat leuk! Moet je doen. Gaaf!” Langzaam maar zeker bereikte ik het punt dat ik er een piepklein beetje in ging geloven en ik ging aan de slag. Ik dacht na over een opzet, schreef een inleiding en het eerste hoofdstuk. Dat liet ik een aantal mensen lezen. “Doorgaan!”, zeiden ze allemaal. “Op dit managementboek zitten echt mensen te wachten.”
Eerlijk gezegd geloof ik inmiddels ook dat met name vrouwen zich gaan herkennen in mijn verhalen. Zij die vaak hun stinkende best doen en altijd bezorgd zijn dat ze het niet goed genoeg doen. Dat ze niet alle ballen in de lucht kunnen houden. Niet goed genoeg in het werk, niet genoeg om thuis alles perfect te doen, en niet goed genoeg voor zichzelf. Hebben mannen daar dan geen last van, hoor ik je denken.
Tuurlijk wel, alleen die uiten dat minder of bluffen zich door lastige situaties heen. Is het faalangst? Nee, voor mij in ieder geval niet. Ik ben nooit bang om ergens aan te beginnen, om stappen te zetten. Wel is er altijd weer die twijfel en onzekerheid dat ik door de mand zal vallen. Dat mensen erachter komen dat ik maar wat doe.
Onlangs leerde ik dat mijn zorg om door de mand te vallen zo’n veel voorkomend fenomeen is dat er in de psychologie al in de jaren ‘70 een naam aan gegeven is: het Oplichterssyndroom of Bedriegerssyndroom, beter bekend als Imposter Syndrome. Dit syndroom werd beschreven door de klinisch psychologen Pauline Clance en Suzanne Imes. Zij merkten dat veel succesvolle mensen het gevoel hebben dat hun succes niets te maken heeft met hun persoonlijke kwaliteiten of met hard werken. Ze doen succes af als toevallig geluk. ‘Toevallig geluk hebben’, dat gold voor mij ook, dacht ik. Maar was dat echt zo? Was ik een zondagskind met heel veel mazzel?
Dat moest ik nu gaan onderzoeken aan de hand van allerlei situaties die ik heb meegemaakt in een leidinggevende functie. Dan zou ik daar vanzelf wel achter komen. Dus oké, misschien is het inderdaad een goed idee om nu, met terugwerkende kracht, te laten zien dat ik niet bij toeval dingen heb bereikt. Dat het geluk toevallig aan mijn zijde was, maar vooral dat ik hard heb gewerkt, gewikt en gewogen en besluiten heb genomen. Ook lastige besluiten, ook moeilijke stappen. Ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen. Ik hoop dat mijn verhaal veel mensen gaat helpen die last hebben van dit Imposter Syndrome. Net als ik zullen zij dat gedurende hun werkende leven waarschijnlijk nooit hardop zeggen, maar geloof me: je bent niet alleen.
Er zijn heel veel vrouwen én mannen die net als ik bezorgd zijn dat zij ‘vandaag of morgen door de mand vallen’. Wie weet kan die zorg straks een beetje naar de achtergrond verdwijnen en ga je zien dat elke situatie die jij meemaakt niet berust op toevalligheden, maar op jouw kracht, jouw ervaring, jouw morele kompas en jouw gezonde boerenverstand!
Marjolijn Dölle, april 2026
Bestel dit boek bij Managementboek
Bestel dit boek bij Bol.com
Bestel dit boek bij Bruna

